
Ter voorbereiding op de auditie voor de Dutch National Opera Academy kunnen gevorderde studenten in aanmerking komen voor de aanvullende lessen van de (eenjarige) Oriëntatiecursus Opera, zie
Zang.
Leerdoel
De afgestudeerde kan, op basis van algemene, algemeen-muzikale en operaspecifieke kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes op ambachtelijk en artistiek verantwoorde wijze functioneren als professioneel operazanger. De afgestudeerde heeft voldoende kritische zelfreflectie ontwikkeld om zijn kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes te evalueren en waar nodig aan te vullen en/of bij te sturen.
Toelating
Het toelatingsexamen van de Dutch National Opera Academy staat open voor studenten met een bachelordiploma zang met minimaal een acht, tenzij de toelatingscommissie anders beslist. De auditie bestaat uit twee ronden: een vocale auditie voor een commissie waarvoor de kandidaat drie aria's moet voorbereiden. Het auditieprogramma moet bestaan uit drie contrasterende opera-aria's, waarvan één met recitatief, in verschillende talen (waarvan één in het Italiaans) en uit verschillende stijlperioden.
In de regel wordt de vocalist(e) gevraagd de eerst te zingen aria zelf te kiezen. Indien de toelatingscommissie dat wenst, kan om een tweede aria van de lijst gevraagd worden. Indien een kandidaat niet beschikt over een eigen pianobegeleider, kan er een beroep gedaan worden op een repetitor verbonden aan de DNOA.
De auditiecommissie bestaat uit de artistiek leider (Alexander Oliver), een extern deskundige, het hoofd muzikale instudering (Jan Slothouwer), het hoofd drama (Javier López Piñón) en van beide conservatoria een zangdocent. Verder zijn aanwezig de (artistiek) directeuren van de beide conservatoria. Of de kandidaat is toegelaten tot de tweede ronde, wordt dezelfde dag telefonisch bekendgemaakt.
De tweede ronde bestaat uit deelname aan een individuele vocale coaching met een van de coaches van de Dutch National Opera Academy, een groepsworkshop drama en een groepsworkshop Fysieke Theatertraining.
Binnen een week na de tweede ronde ontvangt de kandidaat schriftelijk bericht over de uitslag. Binnen twee weken na ontvangst van de uitslag dient de kandidaat aan te geven of hij/zij van de geboden plaats gebruik wil maken.
Toetsing
Aan het eind van elk studiejaar vindt een examen plaats. Na het eerste jaar is dit een overgangsexamen, na het tweede jaar een eindexamen. De ontwikkeling en de resultaten van de student per vak worden door de vakdocenten en de staf halfjaarlijks besproken. Activiteiten als deelname aan een productie en/of andere presentaties worden ook beoordeeld. Een voldoende beoordeling geeft de student toelating tot het overgangs- of eindexamen. Beoordeeld worden technische en dramatische ontwikkeling en mogelijkheden binnen de samenhang van stem en acteervermogen.
De eindexamens zijn de toetsingsmomenten van de activiteiten van de student tijdens de gehele cursus. De examens zijn openbaar. De examencommissie besluit naar aanleiding van deze presentatie of de student kan overgaan naar het volgende studiejaar of geslaagd is voor zijn eindexamen. Voor het examen wordt een examencijfer gegeven. De beoordelingscriteria zijn: natuurlijke en overtuigende combinatie van zingen en acteren, waarbinnen worden onderscheiden de elementen ambachtelijkheid, muzikaliteit, artisticiteit, presentatie en uitstraling, dramatische expressie.
De eindexameneisen zijn: de student heeft alle vakken met goed gevolg afgesloten en kent tenminste zes complete rollen voor zijn of haar stemtype. Daarnaast heeft de student een auditierepertoire opgebouwd van de voor zijn of haar stemtype meest geëigende aria's en recitatieven. De student heeft aan twee tot vier geënsceneerde producties deelgenomen.
De eindexamencommissie heeft dezelfde samenstelling als de toelatingscommissie, aangevuld met (een) externe deskundige(n).
Praktische gang van zaken
Het jaarprogramma is ingedeeld in vier perioden, bestaande uit twee lesblokken en twee projectperiodes. In de eerste projectperiode wordt een volledig geënsceneerde operaproductie gerealiseerd; in de tweede projectperiode wordt een kleinschalige productie uitgevoerd. Bij de keuze van de producties staat, in het kader van een zo breed mogelijke training, voorop dat de studenten werken aan verschillende stijlperioden en talen.
De volgende onderwijsvormen worden gehanteerd:
Het programma wordt aangevuld met masterclasses, lezingen, voorstellingsbezoek, e.d. Regelmatig ontvangt de DNOA gastdocenten die in Amsterdam zijn voor operaproducties (met De Nederlandse Opera). Dit levert waardevolle confrontaties met de actuele beroepspraktijk. Indicatie van gastdocenten van de afgelopen jaren: Dale Duesing, Anthony Legge, Patricia MacMahon, Paul McCreesh, Tina Ruta, Herman Verbeeck, Ann Murray, Graciela Araga, Richard Egarr, Marco Canepa, Muriel Carradini, Mark Tucker en Hanna Schwartz.
De Dutch National Opera Academy is een praktijkgerichte voltijdstudie. In de regel vinden de onderwijsactiviteiten plaats van maandag t/m vrijdag tussen 10.00-18.00 uur (inclusief individuele zangles). De lessen vinden plaats in Amsterdam en Den Haag. Bij operaprojecten, workshops en masterclasses kan van het standaard weekrooster worden afgeweken.
Gezien het multidisciplinaire karakter van opera ligt samenwerking met andere faculteiten van de hogescholen waarvan de conservatoria deel uitmaken voor de hand. Dit geeft ook een extra dimensie voor de operastudent.